Een nog vage zomerzon stijgt bedaard,
Van achter de horizon op weg naar boven de oude boomgaard,
Drukte onder het dak van het half vervallen schuurtje,
Vroege zwaluwtjes flitsen rond
En kwetteren al een uurtje,
Een sijsje in een boom fluit al zijn hoogste lied,
Van dat hij al wakker is maar vliegen gaat nog niet,
Twee duiven, de slaap nog niet uit,
Hebben al ruzie over niks en minder,
Ze gaan op zoek naar fruit
En vliegen van hier naar ginder,
Een vroeg zomerconcert bij het kleine slootje,
Kikkers en krekels in harmonie,
Daar bij dat oude bootje,
Waar het water vrolijk kabbelend de eerste zonnestralen ontvangt,
En het groen beschermend over de waterkant hangt,
Bloemen in alle kleuren vouwen zich langzaam open,
En tonen hun pracht aan wie komt langsgelopen,
Vlinders en bijen die langzaam ontwaken,
En zoeken naar zoet in dat fleurige laken,
Blote voeten door het gras,
Heerlijk fris van de morgendauw,
Dat alles onder een lucht strakblauw,
Mocht willen dat elke dag zo was,
Dan was het leven minder grauw,
De zon doet al goed haar best,
Maar van de ochtendnevel hangt nog rest,
Mistflarden dwarrelen, weven zich doorheen rijkbebloesemde bomen,
En grijpen mijn mooiste gedachten en dromen,
Zodat ze niet zomaar weg kunnen drijven,
Maar wat langer dicht bij mij blijven,
Zo blijft het mooie van de nacht van wat langere duur, Zalig zinderend nagenieten op het vroege ochtenduur…

