Proloog

Gewoon even iets om te proeven van een boek waar ik aan werk, fantasy style…

Het is stil in het bos…

Normaal bruist dit grote, donkere woud van leven, nu is het er stil, doodstil...

Niet het geritsel van de bladeren, of het gekraak van takken. Geen ruisende bomen die hun eeuwige verhaal vertellen. Ook geen gekwetter van vogels, of takjes die kraken onder pootjes van andere dieren…

zo vreemd…

Diep in het woud, goed verscholen, ligt een kleine open plek met onder een eeuwenoude eik een half vervallen hutje, gezellig naast een vriendelijk kabbelend beekje.

Het is goed te zien dat het hutje eerst een mooie, degelijke blokhut is geweest. Degene die hem bouwde, heeft er destijds veel liefde in gestoken. Nu heeft de natuur toch duidelijk de overhand gekregen…het hutje is half overwoekerd door klimop en boomtakken en op verschillende plaatsen is het hout zo verweerd, dat je je binnen waarschijnlijk nergens meer  droog en beschermd kunt voelen.

In de doodse stilte valt een eikenootje op de grond. Naar het lijkt, met een oorverdovend lawaai. Het geluid lijkt te galmen in de stilte. Dan weer niets meer…Het lijkt wel of heel de natuur zijn adem inhoudt voor iets dat komen gaat.

Zelfs de machtige sterrenhemel lijkt minder te stralen op dit moment.

En het hutje … gehuld in een vreemde, zachtgloeiende nevel, die eruitziet alsof zelfs hij stilletjes hangt te wachten op iets of iemand…

In het midden van het hutje is een grote open haard waar je normaal gezellig omheen kon zitten. Er brandt een klein knapperig vuurtje. Het ziet uitnodigend uit, toch lijkt het minder aangenaam…de nevel lijkt door alles heen hier binnen nog door te dringen en alles te verkillen.

Het hutje was mooi en gezellig ingericht geweest, niet overdadig maar wel met liefde. Het moest een aangename plaats geweest zijn om te leven.

Achterin, in een erkertje, een klein keukentje met een zelfgebouwde stenen oven. Onderin brandt een houtvuurtje en bovenop de warme stenen staat een keteltje met water te pruttelen. Het stenen werkblad is leeg, op wat bakjes met kruiden na alles netjes opgeruimd. Het kleine raampje boven het werkblad kijkt uit op het beekje, maar laat nog maar weinig zien, want het is volledig overmeesterd door klimplanten.

Ondanks dat het hutje zo vervallen is, wordt het binnen toch nog altijd erg goed bijgehouden. Aan de rechterzijde van het hutje een bedstee. Niet zo klein als die we gewoonlijk kennen, maar royaal, met mooi bewerkte houten deurtjes, die in het mooie houtsnijwerk opengewerkt zijn om voldoende lucht toe te laten. Het is altijd een comfortabele slaapplaats geweest, zo lijkt het.

Daartegenover, in een erker aan de linkerzijde staat een degelijke eettafel met vier stoelen. De tafel en stoelen zijn handgemaakt met mooi eikenhout uit het woud en ook weer met liefde voorzien van het mooiste houtsnijwerk.

Zo ook wat ooit een comfortabele leunstoel is geweest, naast een rijk gevulde boekenkast, vooraan in een hoekje tussen twee kleine raampjes met geruite gordijntjes, éen in iedere muur.

Op verschillende plekken aan de muren kleine plankjes met brandende kaarsen erop.

Vroeger moet het hier aangenaam zijn geweest, zo rond het vuur. Nu lijkt het naargeestig, vannacht, zo met die vreemde nevel en die doodse stilte…

Aan de tafel zit een oude man…

Oude Johannes rilt. Hij heeft een gevoel alsof de allesdoordringende nevel zelfs binnenin hem zelf is doorgedrongen…

Met bevende hand doopt de oude man zijn ganzenveer in het inktpotje en moeizaam schrijft hij zijn naam onder zijn laatste gedicht.

Johannes plaatst de ganzenveer terug in zijn houder, drukt zorgvuldig een vloeipapier op het zojuist geschreven gedicht en leunt achterover tegen de leuning van de harde, rechte stoel waar hij al die tijd op gezeten heeft. Hij rilt en kruipt nog wat dieper weg in de deken die hij om zijn tengere schouders heeft gehangen.

Voorzichtig vouwt hij het gedicht op en verstopt het in de kaft van een dik, oud boek. De laatste bladzijde van het boek plakt hij er netjes tegenaan, zodat niemand het gedicht snel zal vinden.

En dat is ook de bedoeling, want het is niet zomaar een gedicht. Het is een gedicht, zo speciaal dat het alleen gevonden mag worden door iemand die echt op zoek is naar zichzelf, zoals de oude man vroeger zelf ook heeft gedaan. Een zoektocht waarbij het gedicht heel goed kan helpen. Voor iemand anders die het zou lezen en gebruiken, kon het wel eens slecht aflopen…

Waarom hij het geschreven heeft en waarom hij het in dat boek verstopt heeft weet de oude man zelf eigenlijk ook niet heel duidelijk, maar hij had een heel sterk gevoel gekregen, dat hij het zo moest doen en dus doet hij het ook zo…

Langzaam, zachtjes jammerend, gaat de oude, halfvergane deur open. Uit de nevel komt een witte gedaante naar voren. Hij wenkt langzaam naar Johannes. De oude man zucht van verlichting, staat op van zijn stoel en loopt, zonder nog om te kijken, samen met de gedaante de nacht in. Zijn tijd is gekomen en dus gaat hij, blij dat hij nog alles heeft kunnen doen wat hij wilde regelen.

Plaats een reactie